Traditiegetrouw
trekken we de laatste weken
van augustus en het begin van
september naar drie
muziekfestivals op een rij.
Met telkens een week interval
volgen Swing Wespelaar,
(Ge)Varenwinkel en Sortie
Blues elkaar op, waarna het
festivalseizoen een beetje
kalmeert. De afgelopen weken
berichtten we reeds over het
variabel bluesgehalte van
festivals in het algemeen en
we waren dus benieuwd wat de
ploeg uit Herent ons zou
serveren, een festival
trouwens dat blues in het
vaandel draagt. Een
nieuwigheid is dat dit jaar
het festival over twee dagen
is gespreid. Op vrijdagavond
trekken we dus naar de Helse
Heuvels, het speelterrein aan
de Warot in Winksele. Voor een
keer moeten we maar tien
minuten rijden. Wat is het
aangenaam om eens een festival
in je achtertuin te hebben. De
parking staat reeds goed
gevuld met campers van de
'usual suspects' en
langzamerhand begint het
festivalterrein zich te
vullen, of correcter gezegd de
amfitheaterachtige opstelling
aan het kleine podium...
Twee acts staan
geprogrammeerd op vrijdagavond:
een zekere Oliver Kostrinsky,
die ons onbekend is, en Ian
Siegal, die reeds verschillende
malen optrad op Sortie Blues.
Als we even het programma van de
zaterdag van naderbij bekijken,
dan valt onze frank (als
'boomer' hebben we het nog
altijd moeilijk om onze euro te
laten vallen). Oliver staat de
volgende dag ook geprogrammeerd
als Oliver & Adam, zijn
drummer. We beperken ons verslag
hier dus tot het vermelden dat
een honderdvijftigtal 'actieve'
toeschouwers zijn optreden op
vrijdagavond aandachtig volgen.
Zo aandachtig dat amper een paar
mensen Duke Robillard herkennen,
wanneer die plaats komt nemen
tussen het publiek. Tijdens de
pauze maken we overigens een
gemoedelijk praatje met deze
altijd aimabele man.
Vervolgens
bestijgt Ian Siegal het
podium, dit jaar voor een
solo-act. Gewapend met twee
semi-akoestische gitaren begint
hij op energieke wijze aan zijn
set. Zijn linkervoet die de maat
aangeeft, is zijn enige
begeleiding. Hij mengt covers
zoals 'Pony Blues' en 'Dust My
Broom' met eigen nummers zoals
'Working On A Building'.
Doorheen de set heeft hij wat
moeite om zijn gitaar gestemd te
houden en hij geeft er dan maar
een kwinkslag aan door te
stellen: "Tuning is a
decadent westen habit." De
rol van entertainer ligt hem
goed en het publiek reageert op
zijn uithalen. Hij nodigt het
publiek uit om met handgeklap
zijn songs te begeleiden, maar
voegt er al snel aan toe: "I’ve
spent most of my career
learning white audiences to
clap on the 2 and the 4."
Ja, het is een oud gekend zeer.
Ondanks de Indian summer begint
de temperatuur snel te dalen en
krijgen we een full moon over
Winksele en niet over Dallas,
zoals Lee McBee zong met The
Crawl. Ian suggereert dat er een
kampvuur aangelegd dient te
worden. Bij de introductie van
zijn bisnummer 'One Bourbon, One
Scotch, One Beer' – in 1953 door
Rudy Toombs geschreven voor Amos
Milburn – steekt hij nog een
verhaaltje af over een
kwaadaardige 'landlady' en kan
hij het niet nalaten om in één
ruk Gary Moore, Joe Bonamassa en
Eric Clapton op flessen te
trekken. Zo kennen we hem wel.
Duke Robillard kijkt en ziet dat
het goed is.
Luk De Graaff
opent met een akoestische
folkpop-act het
zaterdagprogramma. Goed om
zachtjes wakker te worden en van
de gelegenheid gebruik te maken
om een Adept-biertje te proeven
van de lokale microbrouwerij. Af
en toe gebruikt Luk een
dominant akkoord om een song te
beëindigen, maar voor de rest
valt er geen blues te bespeuren.
De man zouden we nadien nog
tweemaal aan het werk zien op
het grote podium, bij Big Bill
en Duke Robillard.
Ieder jaar brengt
Armand Hombroeckx, beter bekend
als Big Bill, zijn korte
set met de meest bekende nummers
uit zijn illustere loopbaan.
Niettegenstaande hij nogal wat
hoest en kucht, is hij opvallend
beter bij stem dan de vorige
jaren. De klassiekers passeren
de revue: 'Boom Boom', 'The
Breeze', 'Voordeur Blues' en
andere. Als afsluiter krijgen we
de obligate 'Ene Mee Hesp'
voorgeschoteld. Telkens we de
man aan het werk zien, vragen we
ons af hoe lang dit lokale stuk
folklore dat nog kan volhouden.
Maar ieder jaar weer wil hij
zijn trouwe fans van dienst
zijn, die hem dan ook bedanken
door verschillende liedjes mee
te zingen. We zijn dan ook van
mening dat hij het niet echt
meent, wanneer hij na de encore,
half 'off-mike', mompelt: "ander
en beter nu".
Zoals reeds
gezegd, kregen we de
vrijdagavond Oliver &
Adam een eerste maal te
zien, als openingsact van het
festival. Op zaterdagnamiddag
mogen ze het nogmaals overdoen,
ditmaal zelfs voor een nog
talrijker publiek. En dat is
zeker niet evident. Oliver
Kostrinsky brengt onversneden
North Hill Mississippi Country
blues op een heel authentiek
wijze, zonder al te veel
franjes. Vorig jaar hadden we
reeds Luther Dickinson als
vertegenwoordiger van dit genre
en met Oliver wordt het rijtje
verder gezet. Hij is dan ook een
van de weinige vertolkers van
deze niche. Enkel begeleid door
drummer-harmonicaspeler Adam
Sikora, brengt hij diverse
covers van Junior Kimbrough
(soms verkeerd gespeld als
Kimbell), R.L. Burnside,
Lightin’ Hopkins, T-Model Ford
en Blind Willie McTell. Met zijn
'thumb- and fingerpicking' – zo
typerend voor deze stijl – en
met zijn nasale en ietwat
schurende stem weet hij het
publiek zijn hele set te boeien.
We kunnen alleen maar vol lof
zijn voor de man en de
organisatie die het heeft
aangedurfd hem te programmeren.
We krijgen een
tweede portie folk gepresenteerd
met de band Kit &
Caboodle, van West-Vlaamse
origine. We moesten het even
opzoeken, maar Kit and Caboodle
betekent zoveel als (met) al het
beschikbare (materiaal). In het
West-Vlaams misschien te
vertalen als 'met heel den
battaklang'. Banjo, gitaar,
viool, mondharmonica en
contrabas is inderdaad een heel
pakket. Maar tot zover de
taalkundige uitwijdingen. Zoals
gezegd is dit een folkband maar
wel met een activistische
achtergrond als je weet dat de
leadzanger, Steven Andsowon, als
straatmuzikant heeft geleefd en
gedurende een jaar heeft
deelgenomen aan de bezetting van
het Lappersfortbos in Brugge.
Hij legt de nodige portie
zelfrelativering aan de dag als
hij het heeft over banjospelers:
"De helft van de tijd zijn ze
hun instrument aan het stemmen
en de andere helft spelen ze
vals." Hij excuseert zich
ook een paar keer door te
stellen: "Sorry dat het geen
blues is." of "Ik kan
wel blues zingen, allez... één
nummer toch, maar we gaan dat
niet doen."
We besluiten om
de inwendige mens dan maar te
versterken en zien ondertussen
hoe het publiek zich in groten
getale begint te verzamelen voor
het hoofdpodium. Ian Siegal
speelt even de rol van MC – voor
de rest van het festival is geen
MC te bespeuren – en kondigt
zijn landgenoot Richard
Thompson aan. Deze grote
mijnheer van de folk en folkrock
heeft met zijn doordringend
stemgeluid en zijn
gesofistikeerd gitaarspel het
publiek onmiddellijk op zijn
hand. De fans kunnen hun hart
ophalen en zingen volop mee. Het
geluid uit de PA klinkt
voortreffelijk. Maar dan komt
het als Richard zegt: "I
can’t play the blues. I come
from North London and I don’t
care about the South Side of
Chicago." We kunnen veel
verdragen, maar met deze tweede
uithaal in twee uren tijd,
bloedt ons blueshart wel een
beetje en stellen we ons opnieuw
wat vragen, zelfs al zijn deze
uithalen niet gemeen bedoeld.
Duke
Robillard kan je zien als
een rondwandelende encyclopedie
van blues- en swingjazzgitaar,
zelfs al loopt hij tegenwoordig
met een wandelstok. Tijdens zijn
decennialange carrière speelde
deze grootmeester in diverse
constellaties – met Roomful of
Blues, als soloartiest of met de
Fabulous Thunderbirds. Dit
indachtig keken we met spanning
uit naar zijn optreden. We
hadden ons vanaf de aankondiging
in februari dit jaar wel enige
vragen gesteld in verband met de
setup van dit optreden. Laat ons
eens onze commentaar omdraaien
en beginnen met het besluit: wat
het hoogtepunt voor de bluesfan
had moeten worden, is jammer
genoeg uitgedraaid op een
scheefgelopen jamsessie. En dat
om diverse redenen. Maar laat
ons opnieuw van het begin
vertrekken...
Duke opent de set
met een 'Swing Blues For Sortie'
maar komt als een trage diesel
op gang en zijn vingers lijken
wat roestig. Behalve dat Roland
mee op het podium zou staan
– of beter gezegd zitten – was
vooraf niet helemaal duidelijk
wie de begeleidings-muzikanten
zouden zijn. Uiteindelijk werd
het Patrick Cuyvers op keys en
Hammond, Toon Derison op drums,
de geschoolde
freelance-saxofonist Igor
Maseroli en tenslotte terug Luk
De Graaff, ditmaal op bas, nadat
Jan Ieven wegens ziekte ter
elfder ure was uitgevallen. De
verschillende bluesstijlen
volgen elkaar op, nu eens met
Roland als zanger, dan weer Duke
of zelfs Patrick Cuyvers. Met
Duke te koppelen aan Roland
heeft de organisatie de fans van
Duke geen plezier gedaan. Ze
hebben er zelfs Duke geen
plezier mee gedaan, want de
stijlen botsen. Er is duidelijk
ook niet gerepeteerd en Duke
heeft een setlist maar die is
niet verspreid naar de andere
muzikanten. Niettegenstaande hun
kwaliteiten loopt het toch niet
altijd zo gesmeerd. Duke, in al
zijn goedheid – of was het de
ouderdom of een combinatie van
beide – is gul in het geven van
solomomenten voor de andere
artiesten, die er gretig gebruik
van maken. Misschien zelfs té
gretig, waardoor Duke wat naar
de achtergrond verschuift.
Anderzijds kan je stellen dat
vooral Patrick Cuyvers en Igor
Maseroli hun stinkende best doen
om zoveel mogelijk meubels uit
de brand te redden. De keuze van
deze formule met Belgische
muzikanten, vast en zeker
ingegeven door financiële
overwegingen, maakt dat de set
van Duke meer lijkt op een
ietwat rommelige jamsessie dan
op een concert van een
gerodeerde band. Duke excelleert
wél in de T-Bone-cover 'You
Don’t Love Me' met zijn hoekig
gitaarspel met vele twists. Maar
zelfs daar moeten we vaststellen
dat hij vroeger scherper uit de
hoek kwam. Hij heeft natuurlijk
wat gezondheidsproblemen gehad
en onderging chirurgische
ingrepen aan de elleboog en de
pols. Op zijn jongste platen
klinkt Duke Robillard wel nog
goed: met correct materiaal,
voldoende studiotijd,
geluidstechnici die hun stiel
kennen en zich ten dienste
stellen van de artiesten en het
muziekgenre krijg je alles goed.
Live is Duke jammer genoeg niet
meer wat hij ooit is geweest.
Het grootste
probleem van dit optreden was
echter de geluidsmix, waarbij de
gitaar van Duke veel te zwak in
de mix zat. Was het onwil,
onkunde, een gebrek aan kennis
van het muziekgenre met zijn
specifieke vereisten? We weten
het niet. Het resultaat was wel
dat de geluidsmix compleet
verkeerd zat. Een rode kaart
voor de geluidstechnici is het
verdict. En waarom grijpt de
organisatie dan niet in? Die
horen dat toch ook, of niet
soms? Ze betalen voor de PA, dus
verdienen zij, de muzikanten en
het publiek waar voor hun geld.
En dat men ons niet komt
vertellen dat het niet anders
kan. Bij verschillende kleinere
bluesfestivals is de sound wél
okay, Blues Zuidrand in Edegem
eerder deze zomer komt
onmiddellijk bij ons op. Misschien
was dit
optreden
gezien zijn
leeftijd de
laatste (en
gemiste) kans
om Duke
Robillard live
en goed aan
het werk te
zien. Jammer.
Fred and the
Healers mogen het festival
afsluiten. Ze openen hun set met
een potige versie van 'How Blue
Can You Get' van B.B. King en
eindigen met een al even potige
versie van 'Messin' With The
Kid' van Junior Wells.
Daartussen wordt veel luide, om
niet te zeggen harde bluesrock
van eigen makelij gespeeld, met
een prominente rol voor Fred op
gitaar. Die kan natuurlijk wel
een stukje gitaar spelen, maar
een beetje nuance en afwisseling
in hun set zou zeker geen kwaad
kunnen. Hoe dan ook, de fans
zijn in hun nopjes. Nog wat stof
tot nadenken: hoe komt het dat
de leadgitaar van Fred wél goed
in de picture wordt gezet door
de mannen van de PA? We hebben
er zo onze mening over...
Als we
vanuit het perspectief van de
bluesfan een algemeen bilan van
Sortie Blues opmaken - met
'blues' in de naam van het
festival dus – dan kunnen we het
kort samenvatten: (te) veel
folk, pluim op de hoed van
Oliver Kostrinsky en van de
organisatie om hem te
programmeren en tenslotte de
gemiste kans met Duke Robillard.
We zijn tevreden voor de vele
fans van Richard Thompson die
een mooi optreden hebben
gekregen, maar waarom verdienen
de bluesfans dit niet?