Sortie Blues
Helse Heuvels, Herent - 5 en 6 september 2025

Traditiegetrouw trekken we de laatste weken van augustus en het begin van september naar drie muziekfestivals op een rij. Met telkens een week interval volgen Swing Wespelaar, (Ge)Varenwinkel en Sortie Blues elkaar op, waarna het festivalseizoen een beetje kalmeert. De afgelopen weken berichtten we reeds over het variabel bluesgehalte van festivals in het algemeen en we waren dus benieuwd wat de ploeg uit Herent ons zou serveren, een festival trouwens dat blues in het vaandel draagt. Een nieuwigheid is dat dit jaar het festival over twee dagen is gespreid. Op vrijdagavond trekken we dus naar de Helse Heuvels, het speelterrein aan de Warot in Winksele. Voor een keer moeten we maar tien minuten rijden. Wat is het aangenaam om eens een festival in je achtertuin te hebben. De parking staat reeds goed gevuld met campers van de 'usual suspects' en langzamerhand begint het festivalterrein zich te vullen, of correcter gezegd de amfitheaterachtige opstelling aan het kleine podium...

Twee acts staan geprogrammeerd op vrijdagavond: een zekere Oliver Kostrinsky, die ons onbekend is, en Ian Siegal, die reeds verschillende malen optrad op Sortie Blues. Als we even het programma van de zaterdag van naderbij bekijken, dan valt onze frank (als 'boomer' hebben we het nog altijd moeilijk om onze euro te laten vallen). Oliver staat de volgende dag ook geprogrammeerd als Oliver & Adam, zijn drummer. We beperken ons verslag hier dus tot het vermelden dat een honderdvijftigtal 'actieve' toeschouwers zijn optreden op vrijdagavond aandachtig volgen. Zo aandachtig dat amper een paar mensen Duke Robillard herkennen, wanneer die plaats komt nemen tussen het publiek. Tijdens de pauze maken we overigens een gemoedelijk praatje met deze altijd aimabele man.

Vervolgens bestijgt Ian Siegal het podium, dit jaar voor een solo-act. Gewapend met twee semi-akoestische gitaren begint hij op energieke wijze aan zijn set. Zijn linkervoet die de maat aangeeft, is zijn enige begeleiding. Hij mengt covers zoals 'Pony Blues' en 'Dust My Broom' met eigen nummers zoals 'Working On A Building'. Doorheen de set heeft hij wat moeite om zijn gitaar gestemd te houden en hij geeft er dan maar een kwinkslag aan door te stellen: "Tuning is a decadent westen habit." De rol van entertainer ligt hem goed en het publiek reageert op zijn uithalen. Hij nodigt het publiek uit om met handgeklap zijn songs te begeleiden, maar voegt er al snel aan toe: "I’ve spent most of my career learning white audiences to clap on the 2 and the 4." Ja, het is een oud gekend zeer. Ondanks de Indian summer begint de temperatuur snel te dalen en krijgen we een full moon over Winksele en niet over Dallas, zoals Lee McBee zong met The Crawl. Ian suggereert dat er een kampvuur aangelegd dient te worden. Bij de introductie van zijn bisnummer 'One Bourbon, One Scotch, One Beer' – in 1953 door Rudy Toombs geschreven voor Amos Milburn – steekt hij nog een verhaaltje af over een kwaadaardige 'landlady' en kan hij het niet nalaten om in één ruk Gary Moore, Joe Bonamassa en Eric Clapton op flessen te trekken. Zo kennen we hem wel. Duke Robillard kijkt en ziet dat het goed is.

Luk De Graaff opent met een akoestische folkpop-act het zaterdagprogramma. Goed om zachtjes wakker te worden en van de gelegenheid gebruik te maken om een Adept-biertje te proeven van de lokale microbrouwerij. Af en toe gebruikt Luk  een dominant akkoord om een song te beëindigen, maar voor de rest valt er geen blues te bespeuren. De man zouden we nadien nog tweemaal aan het werk zien op het grote podium, bij Big Bill en Duke Robillard.

Ieder jaar brengt Armand Hombroeckx, beter bekend als Big Bill, zijn korte set met de meest bekende nummers uit zijn illustere loopbaan. Niettegenstaande hij nogal wat hoest en kucht, is hij opvallend beter bij stem dan de vorige jaren. De klassiekers passeren de revue: 'Boom Boom', 'The Breeze', 'Voordeur Blues' en andere. Als afsluiter krijgen we de obligate 'Ene Mee Hesp' voorgeschoteld. Telkens we de man aan het werk zien, vragen we ons af hoe lang dit lokale stuk folklore dat nog kan volhouden. Maar ieder jaar weer wil hij zijn trouwe fans van dienst zijn, die hem dan ook bedanken door verschillende liedjes mee te zingen. We zijn dan ook van mening dat hij het niet echt meent, wanneer hij na de encore, half 'off-mike', mompelt: "ander en beter nu".

Zoals reeds gezegd, kregen we de vrijdagavond Oliver & Adam een eerste maal te zien, als openingsact van het festival. Op zaterdagnamiddag mogen ze het nogmaals overdoen, ditmaal zelfs voor een nog talrijker publiek. En dat is zeker niet evident. Oliver Kostrinsky brengt onversneden North Hill Mississippi Country blues op een heel authentiek wijze, zonder al te veel franjes. Vorig jaar hadden we reeds Luther Dickinson als vertegenwoordiger van dit genre en met Oliver wordt het rijtje verder gezet. Hij is dan ook een van de weinige vertolkers van deze niche. Enkel begeleid door drummer-harmonicaspeler Adam Sikora, brengt hij diverse covers van Junior Kimbrough (soms verkeerd gespeld als Kimbell), R.L. Burnside, Lightin’ Hopkins, T-Model Ford en Blind Willie McTell. Met zijn 'thumb- and fingerpicking' – zo typerend voor deze stijl – en met zijn nasale en ietwat schurende stem weet hij het publiek zijn hele set te boeien. We kunnen alleen maar vol lof zijn voor de man en de organisatie die het heeft aangedurfd hem te programmeren.

We krijgen een tweede portie folk gepresenteerd met de band Kit & Caboodle, van West-Vlaamse origine. We moesten het even opzoeken, maar Kit and Caboodle betekent zoveel als (met) al het beschikbare (materiaal). In het West-Vlaams misschien te vertalen als 'met heel den battaklang'. Banjo, gitaar, viool, mondharmonica en contrabas is inderdaad een heel pakket. Maar tot zover de taalkundige uitwijdingen. Zoals gezegd is dit een folkband maar wel met een activistische achtergrond als je weet dat de leadzanger, Steven Andsowon, als straatmuzikant heeft geleefd en gedurende een jaar heeft deelgenomen aan de bezetting van het Lappersfortbos in Brugge. Hij legt de nodige portie zelfrelativering aan de dag als hij het heeft over banjospelers: "De helft van de tijd zijn ze hun instrument aan het stemmen en de andere helft spelen ze vals." Hij excuseert zich ook een paar keer door te stellen: "Sorry dat het geen blues is." of "Ik kan wel blues zingen, allez... één nummer toch, maar we gaan dat niet doen."

We besluiten om de inwendige mens dan maar te versterken en zien ondertussen hoe het publiek zich in groten getale begint te verzamelen voor het hoofdpodium. Ian Siegal speelt even de rol van MC – voor de rest van het festival is geen MC te bespeuren – en kondigt zijn landgenoot Richard Thompson aan. Deze grote mijnheer van de folk en folkrock heeft met zijn doordringend stemgeluid en zijn gesofistikeerd gitaarspel het publiek onmiddellijk op zijn hand. De fans kunnen hun hart ophalen en zingen volop mee. Het geluid uit de PA klinkt voortreffelijk. Maar dan komt het als Richard zegt: "I can’t play the blues. I come from North London and I don’t care about the South Side of Chicago." We kunnen veel verdragen, maar met deze tweede uithaal in twee uren tijd, bloedt ons blueshart wel een beetje en stellen we ons opnieuw wat vragen, zelfs al zijn deze uithalen niet gemeen bedoeld.

Duke Robillard kan je zien als een rondwandelende encyclopedie van blues- en swingjazzgitaar, zelfs al loopt hij tegenwoordig met een wandelstok. Tijdens zijn decennialange carrière speelde deze grootmeester in diverse constellaties – met Roomful of Blues, als soloartiest of met de Fabulous Thunderbirds. Dit indachtig keken we met spanning uit naar zijn optreden. We hadden ons vanaf de aankondiging in februari dit jaar wel enige vragen gesteld in verband met de setup van dit optreden. Laat ons eens onze commentaar omdraaien en beginnen met het besluit: wat het hoogtepunt voor de bluesfan had moeten worden, is jammer genoeg uitgedraaid op een scheefgelopen jamsessie. En dat om diverse redenen. Maar laat ons opnieuw van het begin vertrekken...

Duke opent de set met een 'Swing Blues For Sortie' maar komt als een trage diesel op gang en zijn vingers lijken wat roestig. Behalve dat Roland mee op het podium zou staan – of beter gezegd zitten – was vooraf niet helemaal duidelijk wie de begeleidings-muzikanten zouden zijn. Uiteindelijk werd het Patrick Cuyvers op keys en Hammond, Toon Derison op drums, de geschoolde freelance-saxofonist Igor Maseroli en tenslotte terug Luk De Graaff, ditmaal op bas, nadat Jan Ieven wegens ziekte ter elfder ure was uitgevallen. De verschillende bluesstijlen volgen elkaar op, nu eens met Roland als zanger, dan weer Duke of zelfs Patrick Cuyvers. Met Duke te koppelen aan Roland heeft de organisatie de fans van Duke geen plezier gedaan. Ze hebben er zelfs Duke geen plezier mee gedaan, want de stijlen botsen. Er is duidelijk ook niet gerepeteerd en Duke heeft een setlist maar die is niet verspreid naar de andere muzikanten. Niettegenstaande hun kwaliteiten loopt het toch niet altijd zo gesmeerd. Duke, in al zijn goedheid – of was het de ouderdom of een combinatie van beide – is gul in het geven van solomomenten voor de andere artiesten, die er gretig gebruik van maken. Misschien zelfs té gretig, waardoor Duke wat naar de achtergrond verschuift. Anderzijds kan je stellen dat vooral Patrick Cuyvers en Igor Maseroli hun stinkende best doen om zoveel mogelijk meubels uit de brand te redden. De keuze van deze formule met Belgische muzikanten, vast en zeker ingegeven door financiële overwegingen, maakt dat de set van Duke meer lijkt op een ietwat rommelige jamsessie dan op een concert van een gerodeerde band. Duke excelleert wél in de T-Bone-cover 'You Don’t Love Me' met zijn hoekig gitaarspel met vele twists. Maar zelfs daar moeten we vaststellen dat hij vroeger scherper uit de hoek kwam. Hij heeft natuurlijk wat gezondheidsproblemen gehad en onderging chirurgische ingrepen aan de elleboog en de pols. Op zijn jongste platen klinkt Duke Robillard wel nog goed: met correct materiaal, voldoende studiotijd, geluidstechnici die hun stiel kennen en zich ten dienste stellen van de artiesten en het muziekgenre krijg je alles goed. Live is Duke jammer genoeg niet meer wat hij ooit is geweest.

Het grootste probleem van dit optreden was echter de geluidsmix, waarbij de gitaar van Duke veel te zwak in de mix zat. Was het onwil, onkunde, een gebrek aan kennis van het muziekgenre met zijn specifieke vereisten? We weten het niet. Het resultaat was wel dat de geluidsmix compleet verkeerd zat. Een rode kaart voor de geluidstechnici is het verdict. En waarom grijpt de organisatie dan niet in? Die horen dat toch ook, of niet soms? Ze betalen voor de PA, dus verdienen zij, de muzikanten en het publiek waar voor hun geld. En dat men ons niet komt vertellen dat het niet anders kan. Bij verschillende kleinere bluesfestivals is de sound wél okay, Blues Zuidrand in Edegem eerder deze zomer komt onmiddellijk bij ons op. Misschien was dit optreden gezien zijn leeftijd de laatste (en gemiste) kans om Duke Robillard live en goed aan het werk te zien. Jammer.

Fred and the Healers mogen het festival afsluiten. Ze openen hun set met een potige versie van 'How Blue Can You Get' van B.B. King en eindigen met een al even potige versie van 'Messin' With The Kid' van Junior Wells. Daartussen wordt veel luide, om niet te zeggen harde bluesrock van eigen makelij gespeeld, met een prominente rol voor Fred op gitaar. Die kan natuurlijk wel een stukje gitaar spelen, maar een beetje nuance en afwisseling in hun set zou zeker geen kwaad kunnen. Hoe dan ook, de fans zijn in hun nopjes. Nog wat stof tot nadenken: hoe komt het dat de leadgitaar van Fred wél goed in de picture wordt gezet door de mannen van de PA? We hebben er zo onze mening over...

Als we vanuit het perspectief van de bluesfan een algemeen bilan van Sortie Blues opmaken - met 'blues' in de naam van het festival dus – dan kunnen we het kort samenvatten: (te) veel folk, pluim op de hoed van Oliver Kostrinsky en van de organisatie om hem te programmeren en tenslotte de gemiste kans met Duke Robillard. We zijn tevreden voor de vele fans van Richard Thompson die een mooi optreden hebben gekregen, maar waarom verdienen de bluesfans dit niet?

Kris Herrebout


reageer op dit artikel

terug naar de index van de concert- en festivalrecensies

Naast de concert- en festivalverslagen op deze website is Back To The Roots sinds 1995 het meest complete en veelzijdige tijdschrift voor blues en verwante muziekstijlen. Vijf keer per jaar brengen we u nieuws, achtergrond, interviews, reportages, cd- en dvd-recensies, boeken, de meest complete blueskalender, enz... Nog geen abonnee? Klik hier voor meer info.

    
  
     
foto's:
      © Kris Herrebout
          en Franky Bruneel